Veilige vloeren in het magazijn

Bij overbelasting van entresols en verdiepingsvloeren door overschrijding van de maximale draaglast, bestaat instortingsgevaar. Tevens kan er sprake zijn van struikelgevaar of slipgevaar/gevaar om uit te glijden. Bij oneffenheden kan het gebruik van transportmiddelen worden belemmerd of extra trillingsbelasting voor truckbestuurders worden veroorzaakt. Daarom gelden de volgende branche afspraken ten aanzien van de vloeren in magazijnen:

  • Het maximale draagvermogen van entresols en verdiepingsvloeren is bekend en is in de directe omgeving duidelijk zichtbaar aangegeven. Dit maximale draagvermogen mag niet overschreden worden. Het maximaal draagvermogen wordt aangegeven door de leverancier of wordt berekend door een constructeur (sterkteberekening).
  • Bij plaatsing van stellingen of machines op verdiepingsvloeren is vastgesteld of de vloer de puntbelasting van de poten kan verdragen.
  • Bij beschadigingen van ondersteunende constructies of vloeren wordt direct onderzocht/bepaald of de constructies nog voldoende veilig zijn en bijbehorende acties ondernomen.
  • Vloeren zijn zo veel mogelijk vrij van oneffenheden en obstakels, vast, stabiel en voldoende stroef om uitglijden tegen te gaan. Waar onder omstandigheden gladheid optreedt worden extra maatregelen getroffen om glij- en slipgevaar te voorkomen (bijvoorbeeld bij in/uit rijden bij regen)
  • Losliggend materiaal, vloeistoffen enzovoorts worden zo spoedig mogelijk opgeruimd zodat geen struikel of slipgevaar optreedt.
  • Openingen in de (verdiepings)vloer worden onmiddellijk afgedekt of anderszins fysiek afgeschermd zodat er geen valgevaar optreedt.
  • Als vloeren onderdeel uitmaken van stellingen, dan worden deze jaarlijks aantoonbaar gekeurd door een objectief persoon of instelling met voldoende aantoonbare kennis en kunde voor het uitvoeren van de beoordeling (zie brancheafspraak 'stellingveiligheid'). Wanneer de aard van het gebruik dit nodig maakt of wanneer bij controle ernstige gebreken geconstateerd worden, wordt de keuringsfrequentie verhoogd. De jaarlijkse frequentie moet dus als minimum worden gezien.

Goede praktijken bij deze richtlijn

Print dit artikel E-mail dit artikel

Meer informatie

Arbo-Informatieblad AI 14 4edruk ‘Inrichten van bedrijfsruimtes’ (Sdu)


Relatie met wet

Arbobesluit art 3.11


Relatie met RI&E

Nr. 1.4.1.5

Veilige vloeren in het magazijn

Bij overbelasting van entresols en verdiepingsvloeren door overschrijding van de maximale draaglast, bestaat instortingsgevaar. Tevens kan er sprake zijn van struikelgevaar of slipgevaar/gevaar om uit te glijden. Bij oneffenheden kan het gebruik van transportmiddelen worden belemmerd of extra trillingsbelasting voor truckbestuurders worden veroorzaakt. Daarom gelden de volgende branche afspraken ten aanzien van de vloeren in magazijnen:

  • Het maximale draagvermogen van entresols en verdiepingsvloeren is bekend en is in de directe omgeving duidelijk zichtbaar aangegeven. Dit maximale draagvermogen mag niet overschreden worden. Het maximaal draagvermogen wordt aangegeven door de leverancier of wordt berekend door een constructeur (sterkteberekening).
  • Bij plaatsing van stellingen of machines op verdiepingsvloeren is vastgesteld of de vloer de puntbelasting van de poten kan verdragen.
  • Bij beschadigingen van ondersteunende constructies of vloeren wordt direct onderzocht/bepaald of de constructies nog voldoende veilig zijn en bijbehorende acties ondernomen.
  • Vloeren zijn zo veel mogelijk vrij van oneffenheden en obstakels, vast, stabiel en voldoende stroef om uitglijden tegen te gaan. Waar onder omstandigheden gladheid optreedt worden extra maatregelen getroffen om glij- en slipgevaar te voorkomen (bijvoorbeeld bij in/uit rijden bij regen)
  • Losliggend materiaal, vloeistoffen enzovoorts worden zo spoedig mogelijk opgeruimd zodat geen struikel of slipgevaar optreedt.
  • Openingen in de (verdiepings)vloer worden onmiddellijk afgedekt of anderszins fysiek afgeschermd zodat er geen valgevaar optreedt.
  • Als vloeren onderdeel uitmaken van stellingen, dan worden deze jaarlijks aantoonbaar gekeurd door een objectief persoon of instelling met voldoende aantoonbare kennis en kunde voor het uitvoeren van de beoordeling (zie brancheafspraak 'stellingveiligheid'). Wanneer de aard van het gebruik dit nodig maakt of wanneer bij controle ernstige gebreken geconstateerd worden, wordt de keuringsfrequentie verhoogd. De jaarlijkse frequentie moet dus als minimum worden gezien.

Goede praktijken bij deze richtlijn