Ontruimingsoefeningen (BRANCHEAFSPRAAK)

Oefenen van de BHV-organisatie is nodig om te weten of het werkt en daarnaast erg goed om het veiligheidsbewustzijn van medewerkers te bevorderen.

In het bedrijfsnoodplan neemt u op hoe bij een calamiteit gehandeld moet worden. Wat te doen bij brand, hoe de vluchtroutes werken, hoe de ontruiming gedaan wordt, enz. Hoe goed hier ook over nagedacht wordt, in de praktijk blijkt vaak dat het in het echt toch anders werkt. Daarom is het nodig een keer een oefening te doen. Te ervaren hoe het in het echt loopt. Natuurlijk moet een dergelijke oefening geen gevaren met zich meebrengen en het is belangrijk om de juiste zaken uit te proberen. Hierover zijn de volgende afspraken gemaakt:

  • Het bedrijf stelt zelf een oefenplan op in overleg met ondernemingsraad/PVT. Dit plan houdt rekening met de risico’s en complexiteit van het bedrijf en de BHV-organisatie.
  • Minimaal één keer per jaar wordt een ontruimingsoefening gehouden. (NB. dit kan ook een vereiste zijn vanuit de omgevingsvergunning van de verhuurder van het gebouw)
  • Naast de opleiding is het belangrijk dat de BHV’ers regelmatig oefenen. Minimaal 1x per jaar worden zij betrokken in een oefening binnen het eigen bedrijf.
  • Wanneer gebruik gemaakt wordt van BHV’ers van andere werkgevers/dienstverleners, wordt ten minste 1x per jaar een onaangekondigde test gedaan of deze inderdaad voldoende snel beschikbaar zijn.

Oefeningen hoeven niet het gehele bedrijf of de gehele BHV-organisatie te beslaan, maar kunnen ook betrekking hebben op onderdelen van het bedrijf en de BHV-organisatie. Het is raadzaam te starten met eenvoudige oefeningen en deze qua complexiteit later uit te bouwen. Voorbeelden van oefeningen zijn te vinden in het ‘praktijkvoorbeeld ontruimingsoefeningen’. Hieraan worden de volgende voorwaarden verbonden:

  • Voor oefeningen en training van eerste hulpvaardigheden, zoals reanimatie, is begeleiding van een bevoegd eerste hulpinstructeur vereist.
  • Bij training van brandbestrijding is begeleiding door een brandweerinstructeur vereist.
  • Als bedrijf kun je dit zelf invullen als in de eigen BHV-organisatie goed getrainde brandweermensen, reanimatie- of eerste hulpinstructeurs werkzaam zijn.
  • In een cyclus van 4 jaren zijn alle onderdelen van het bedrijf en alle onderdelen van het bedrijfsnoodplan tenminste 1x in een oefening getest, waarbij zowel de BHV-ers als de betreffende medewerkers uit de diverse bedrijfsonderdelen zijn betrokken.
  • Bij oefeningen worden altijd (naast de BHV-ers die de oefening actief doen) personen ingezet die tot taak hebben als ‘onafhankelijk observator’ te bekijken wat er gebeurd/of het werkt.
  • Van iedere oefening worden kort de bevindingen en verbeterpunten vastgelegd en besproken met ondernemingsraad/PVT en hoofd BHV.

Goede praktijken bij deze richtlijn

Print dit artikel E-mail dit artikel

Meer informatie

Arbo Informatieblad 10 'Bedrijfshulpverlening'.

NEN 4000

Ontruimingsoefeningen (BRANCHEAFSPRAAK)

Oefenen van de BHV-organisatie is nodig om te weten of het werkt en daarnaast erg goed om het veiligheidsbewustzijn van medewerkers te bevorderen.

In het bedrijfsnoodplan neemt u op hoe bij een calamiteit gehandeld moet worden. Wat te doen bij brand, hoe de vluchtroutes werken, hoe de ontruiming gedaan wordt, enz. Hoe goed hier ook over nagedacht wordt, in de praktijk blijkt vaak dat het in het echt toch anders werkt. Daarom is het nodig een keer een oefening te doen. Te ervaren hoe het in het echt loopt. Natuurlijk moet een dergelijke oefening geen gevaren met zich meebrengen en het is belangrijk om de juiste zaken uit te proberen. Hierover zijn de volgende afspraken gemaakt:

  • Het bedrijf stelt zelf een oefenplan op in overleg met ondernemingsraad/PVT. Dit plan houdt rekening met de risico’s en complexiteit van het bedrijf en de BHV-organisatie.
  • Minimaal één keer per jaar wordt een ontruimingsoefening gehouden. (NB. dit kan ook een vereiste zijn vanuit de omgevingsvergunning van de verhuurder van het gebouw)
  • Naast de opleiding is het belangrijk dat de BHV’ers regelmatig oefenen. Minimaal 1x per jaar worden zij betrokken in een oefening binnen het eigen bedrijf.
  • Wanneer gebruik gemaakt wordt van BHV’ers van andere werkgevers/dienstverleners, wordt ten minste 1x per jaar een onaangekondigde test gedaan of deze inderdaad voldoende snel beschikbaar zijn.

Oefeningen hoeven niet het gehele bedrijf of de gehele BHV-organisatie te beslaan, maar kunnen ook betrekking hebben op onderdelen van het bedrijf en de BHV-organisatie. Het is raadzaam te starten met eenvoudige oefeningen en deze qua complexiteit later uit te bouwen. Voorbeelden van oefeningen zijn te vinden in het ‘praktijkvoorbeeld ontruimingsoefeningen’. Hieraan worden de volgende voorwaarden verbonden:

  • Voor oefeningen en training van eerste hulpvaardigheden, zoals reanimatie, is begeleiding van een bevoegd eerste hulpinstructeur vereist.
  • Bij training van brandbestrijding is begeleiding door een brandweerinstructeur vereist.
  • Als bedrijf kun je dit zelf invullen als in de eigen BHV-organisatie goed getrainde brandweermensen, reanimatie- of eerste hulpinstructeurs werkzaam zijn.
  • In een cyclus van 4 jaren zijn alle onderdelen van het bedrijf en alle onderdelen van het bedrijfsnoodplan tenminste 1x in een oefening getest, waarbij zowel de BHV-ers als de betreffende medewerkers uit de diverse bedrijfsonderdelen zijn betrokken.
  • Bij oefeningen worden altijd (naast de BHV-ers die de oefening actief doen) personen ingezet die tot taak hebben als ‘onafhankelijk observator’ te bekijken wat er gebeurd/of het werkt.
  • Van iedere oefening worden kort de bevindingen en verbeterpunten vastgelegd en besproken met ondernemingsraad/PVT en hoofd BHV.

Goede praktijken bij deze richtlijn